Verschillende soorten verslavend gedrag hebben deels dezelfde genetische risicofactoren

Verschillende soorten verslavend gedrag hebben deels dezelfde genetische risicofactoren

15 maart 2016 Uit Door Majorie Former
Dit bericht delen

Mensen die roken consumeren meer cafeïne dan niet-rokers. Maar hoe komt dit? Hebben deze gedragingen dezelfde genetische of omgevingsrisicofactoren? Of veroorzaakt het ene het ander?

In haar promotieonderzoek vond Jorien Treur dat de samenhang tussen verschillende verslavende gedragingen grotendeels kan worden verklaard door gedeelde genetische risicofactoren. Verder heeft Treur voor het eerst aangetoond dat het roken van sigaretten in mensen kan leiden tot aandachtsproblemen. Dit bevestigt eerder dierproefonderzoek waar al werd gevonden dat blootstelling van de ontwikkelende hersenen aan nicotine voor aandachtsproblemen kan zorgen. Voor haar onderzoek gebruikte zij gegevens van tweelingen en hun familieleden geregistreerd bij het Nederlands Tweelingen Register.

Samenhang in verslavend gedrag
Het was al langer bekend dat verslavend gedrag matig tot hoog genetisch is bepaald. Een nog onopgeloste vraag was waarom verschillende soorten verslavend gedrag met elkaar samenhangen. Een van de conclusies uit het onderzoek van Treur, is dat de relatie tussen roken en cafeïnegebruik voor het grootste deel kan worden verklaard door gedeelde genetische risicofactoren. Dit wil zeggen dat er genetische varianten zijn welke van invloed zijn op zowel het roken van sigaretten als hoog gebruik van cafeïne (uit koffie, thee, cola en energiedrank). Tevens werd gekeken naar de relatie tussen het gebruik van verslavende middelen en een hoog gebruik van suiker (soms als potentieel verslavend beschouwd). Gedeelde genetische risicofactoren verklaarden grofweg de helft van deze relatie. Uit deze resultaten kan worden geconcludeerd dat verschillende soorten verslavend gedrag voor een aanzienlijk deel dezelfde genetische risicofactoren hebben.

Roken kan leiden tot aandachtsproblemen
Om de mogelijk causale (oorzaakgevolg) relatie tussen roken en aandachtsproblemen te testen, maakte Treur gebruik van het sterke ‘discordante tweeling model’. Er werd een selectie gemaakt van eeneiige tweelingparen, waarvan één tweeling wel rookte en de ander niet. Doordat eeneiige tweelingen honderdprocent van hun genetisch materiaal delen en een groot deel van hun omgeving, zijn zij een perfecte controle voor elkaar. Rokende tweelingen bleken meer aandachtsproblemen te hebben dan hun niet rokende tweelingbroer/-zus. Dit verschil in geestelijke gezondheid was er nog niet toen de tweelingen jonger waren en geen van beiden nog een sigaret had gerookt. Deze resultaten bevestigen eerder dierproefonderzoek en benadrukken de schadelijke effecten van roken op de (geestelijke) gezondheid.

Tegengaan van roken
Nicotine is een van de meest gebruikte verslavende middelen en levert, door het roken van sigaretten, een grote bijdrage aan morbiditeit (ziekte) en mortaliteit (sterfte). Wereldwijd veroorzaakt roken circa 6 miljoen sterfgevallen per jaar. Alhoewel het aantal mensen dat rookt in de afgelopen decennia sterk gedaald is in Nederland, rookte in 2014 nog steeds 28 procent van de (volwassen) mannen en 22 procent van de vrouwen. Treur: “Een beter begrip van alle mogelijke oorzaken en gevolgen van roken kan helpen om dit aantal verder te doen dalen en hiermee de volksgezondheid te verbeteren. De conclusies uit mijn onderzoek vergroten ons begrip van de oorzaken en gevolgen van roken, en meer algemeen van verslavend gedrag.”
 
Proefschrift, J.L. Treur A genetically informative study of addictive behaviour with a focus on smoking,
VU Amsterdam
Bron: www.vu.nl